Een bestuursorgaan

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Het rechtsgevolg waarop een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is gericht, is dat flexplek huren amsterdam naar publiekrecht al dan niet een aanspraak op betaling van schadevergoeding wordt gevestigd. De in het voorliggende geval beweerdelijk geleden schade werd, naar Van Vlodrop BV stelde, veroorzaakt door een beleidswijziging, die was vastgelegd in het ‘Meerjarenplan Verwijdering Gevaarlijke Afvalstoffen 1993’. In het Meerjarenplan werd onder meer aangegeven op welke wijze appellant aanvragen om vergunningen op grond van art. 8.36 in samenhang met art. 8.8 lid 2 sub a Wm zou beoordelen. Dit plan, dat een uitwerking bevatte flexplek huren haarlem van het in art. 4.3 Wm bedoelde nationale milieubeleidsplan, diende als een beleidsregeling te worden aangemerkt. Nu de beweerdelijk geleden schade derhalve was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, volgde uit het vorenoverwogene dat, anders dan appellant meende, de brief van 20 november 1995, voor zover daarbij het verzoek van Vlodrop BV om schadevergoeding was afgewezen, een besluit was als bedoeld in art. 1 :3 Awb. Vervolgens diende de Afdeling de vraag te beantwoorden of tegen dit besluit beroep op de bestuursrechter openstond. De Afdeling overwoog in dit verband het volgende. Aan het stelsel van afdeling 8.1 .1 Awb ligt blijkens de parlementaire geschiedenis het streven ten grondslag naar een in de rechtspraktijk goed hanteerbare afbakening van bevoegdheden tot beoordeling van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door de algemene bestuursrechter, de bijzondere bestuursrechters en de burgerlijke rechter. Met flexplek huren amsterdam zuidas name uit de parlementaire geschiedenis van art. 8:3 Awb kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd zo veel mogelijk te voorkomen dat binnen een reeks van uit elkaar voortvloeiende of anderszins nauw met elkaar samenhangende beslissingen van een bestuursorgaan een scheiding zou moeten worden aangebracht wat betreft de rechters die bevoegd zijn tot toetsing van de verschillende beslissingen. Naar het oordeel van de Afdeling paste het in dit stelsel de algemene dan wel bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd was te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld, dan was er ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor was veroorzaakt. Een wettelijke belemmering in de bevoegdheid van de bestuursrechter om kennis te nemen van een beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke flexplek huren amsterdam wtc bevoegdheid werkte aldus door in zijn bevoegdheid kennis te nemen van een beroep tegen een naar aanleiding van die bevoegdheidsuitoefening genomen schadebesluit. Het vorenstaande liet onverlet, zoals hiervoor is overwogen, dat een beslissing op een buitenwettelijk verzoek om schadevergoeding naar aanleiding van een niet voor beroep bij de bestuursrechter vatbare wijze van uitoefening van een schadeveroorzakende publiekrechtelijke bevoegdheid, een besluit was in de zin van art. 1 :3 Awb. Zoals hiervoor is vastgesteld, moest het Meerjarenplan Verwijdering Gevaarlijke Afvalstoffen 1993 worden aangemerkt als een beleidsregeling. Tegen een besluit, inhoudende een beleidsregel, kon op grond art. 8:2 onder a Awb geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Nu de bestuursrechter niet bevoegd was om kennis te nemen van een beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf (de wijziging van de beleidsregeling), bracht het hiervoor uiteengezette uitgangspunt met zich dat hij evenmin bevoegd was om kennis te nemen van het besluit van 20 november 1995, strekkende tot het afwijzen van het verzoek van Van Vlodrop BV om vergoeding van de door de wijziging van die beleidsregeling veroorzaakte schade.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *